Furiosa, a Mad Max story

Furiosa, a Mad Max story.

Na het succes van de Mad Max Fury Road in 2015 duur de het nog best lang voor er een vervolg kwam. Nu 9 jaar later is er nu eindelijk “Furiosa”A Mad Max story. Het betreft een prequel op Fury road en is geregisseerd door de man die alle Mad Max films tot op heden regisseerde: George Miller.

Deze film laat zien hoe Furiosa, de heldin uit Fury road, geworden is wie ze is. En wat ze allemaal heeft moeten doorstaan om dat te worden, en natuurlijk…Hoe ze haar arm is kwijtgeraakt.

Het verhaal

De film is echt meer een origine story en minder bombastisch en visueel dan Fury Road was. Het is duidelijk de bedoeling om het karakter beter te leren kennen. Wellicht om in de toekomst het verhaal verder te kunnen vertellen. Dat we dieper het karakter in gaan betekend niet dat er geen actie is. Sterker nog, er zit een 15 minuten durende vechtscene in, die geen seconde verveelt.

Furiosa was al geschreven voordat Fury Road uitkwam. Dit om het verhaal goed te kunnen vertellen en duidelijk te maken wat de achtergrond van de karakters waren. Zo ligt er ook al een 3e deel klaar “The wastlands”, wat afhankelijk van hoe goed Furiosa het doet, ook verfilmd gaat worden.

Anna Taylor Joy

Tegenwoordig is het in Hollywood de gewoonten om jong talent overal in te casten. En dat is ook in deze film het geval. Anna Taylor Joy is een groot talent en komt in veel films terug. In deze film laat ze zeker haar talent zien en je kan merken dat ze echt geleden heeft tijdens de opnamens. Maar toch doet ze nergens denken aan Charlize Theron , en lijkt er ook niet echt op. Chris Hemsworth (met een andere neus) speelt de rol van zijn leven en is een zeer overtuigende villain met een goede dosis humor. Het enige wat jammer is dat hij in bepaalde scenes erg doet denken aan Thor die hij speelt in de MCU.

Eind oordeel

Al met al is Furiosa zeker de moeite waard, en is het erg vermakelijk. Alleen omdat het niet zo groots en meeslepend is als Fury Road, kan je hem ook prima thuis kijken en hoef je er niet voor naar de bioscoop. Hij zal vast spoedig op een streaming dienst verschijnen.

Deze recensie is geschreven door Rob van der Werf.

 

 

 

 

Clank! Legacy – Acquisitions Incorporated – HSF 2023/3

Acquisitions Incorporated is een Clank! Legacy spel. (Hierna aangeduid als CLAI)

Een legacy spel, waar steeds meer van zijn, is een spel dat je een aantal keren moet spelen met hetzelfde gezelschap, omdat elk spel beïnvloed wordt door de keuzes die gemaakt zijn in het vorige spel.

Clank! is in zijn oorspronkelijke vorm een deckbuilding spel waarin je het domein van een boze draak binnen sluipt om kostbare artefacten te stelen. Hoe dieper je komt, hoe waardevoller de buit.
Je moet alleen wel voorzichtig zijn, want als je een verkeerde stap zet: Clank! Geluiden stappelen op en trekken de aandacht van de draak. Om ervoor te zorgen dat je levend ontsnapt moet je dus elke beurt opnieuw goed inschatten wat er nog lukt en wat je nog wil wagen.

Clank! is een bordspel met kaarten. Elke speler heeft zijn eigen deck en het opbouwen daarvan is essentiel. Je begint elke beurt met vijf kaarten in je hand en je speelt ze allemaal uit in een volgorde die je zelf kiest. De meeste kaarten genereren grondstoffen, waarmee je je kunt verplaatsen, nieuwe kaarten kunt kopen en monsters die je onderweg tegenkomt kunt bevechten voor voordelen of om überhaupt verder te komen op het bord.

Elke speler begint met dezelfde kaarten in zijn stapel, maar omdat je andere kaarten kunt kopen die veel verschillende dingen kunnen doen, vormt ieder speler langzaam zijn kaarten naar een eigen strategie (maar ook niet te langzaam, anders kom je er niet aan toe om ze te benutten).

Elk nieuw verkregen kaart komt eerst op je aflegstapel, dus je trekstapel wordt groter en, als het goed is, beter, elke keer dat je opnieuw moet schudden.

De basis van het spel blijft in CLAI hetzelfde.  Bij elk potje heb je twee doelen: eerst een artefact bereiken en vervolgens je beginplek weer bereiken voordat je geroosterd wordt door de steeds bozer wordende draak. Dit uit zich in een zakje dat gevuld wordt door blokjes in de kleur van de spelers naarmate ze Clank! geluid maken (soms pech, soms het gevolg van een keuze), vervolgens worden er bijna elke ronde afhankelijk van getrokken kaarten en andere gebeurtenissen een aantal blokjes er blind uitgehaald, wat leidt tot schade. Een karakter kan maar zoveel schade lijden voor hij een drakenmaaltijd wordt. Dood is dan ook dood. Je komt in het volgende potje wel weer tot leven, maar met een nadeel waar je van af moet zien te komen, en minder punten, als je al bijna thuis was, of zelfs helemaal geen, als je nog te ver de wereld in was.

CLAI is iets coöperatiever dan de oorsponkelijke Clank! in de zin dat je het met zijn allen beter probeert te doen dan een fictieve andere groep: Dran Enterprises. Of dat lukt, hangt af van heel veel (gezamenlijke) keuzes en de soms vergaande consequenties daarvan, omdat elk spel invloed heeft op het verloop van de volgende spellen. Zo komen er bepaalde optionele missies wel of niet beschikbaar.

Het voorbereiden van elk potje kan dan ook een halfuur in beslag nemen. Er worden voor en gedurend elk spel stickers aan het bord toegevoegd, kaarten aan stapels en verhaallijnen voorgelezen. Het spel vormt zich met elk potje dus steeds meer naar het gezelschap. Oh ja en er worden kaarten vernietigd, daar moet je tegen kunnen, we stoppen ze gewoon in een aparte enveloppe, maar uit het spel is uit het spel. Zonde zou je kunnen zeggen, maar voor een spel van net geen honderd euro, haal je er veel uren plezier uit, gezien elk spel tot 3 uur in beslag kan nemen. En als het Legacy gedeelte uitgespeeld is schijn je er nog verder mee te kunnen als je zeer eigen versie van een gewone Clank! Pret zat dus, wat mij betreft een aanrader.

Deze recensie, door Alice Jouanno, is eerder verschenen in HSF (2023/3).

Clank! Legacy: Acquisitions Incorporated – Dire Wolf Digital

Final Fantasy XVI – Grimdark Chocobos – HSF 2023/3

Final Fantasy XVI: Grimdark Chocobos


De roman De Goede Zoon, waarmee Rob van Essen in 2019 de Libris literatuurprijs won, is een valstrik voor lezers van Nederlandstalige literatuur. Het begint als zoveel literaire romans met een blanke man in een midlife crisis, die zijn onbestemde gevoelens uit in spitse observaties over de Nederlandse samenleving en zijn strikte christelijke opvoeding. Gaandeweg worden er echter steeds meer science-fictionelementen in de roman verwerkt, tot het eindigt als je reinste near future sciencefiction. Het boek is als drijfzand, dat de lezer van Nederlandstalige Literatuur het gevoel geeft dat die zich op bekend terrein begeeft, maar die langzaam en onherroepelijk de sciencefiction in zuigt.

De Goede Zoon, juist door deze manier van omgaan met sciencefiction, heeft mij doen beseffen dat Nederlandstalige literatuur een genre is net als sciencefiction, fantasy, thrillers en al die andere boeken die als genreboeken worden weggezet. Ook Nederlandstalige literatuur heeft zijn eigen terugkerende elementen en thema’s, verwachte verhaalstructuren en stijlelementen en zijn eigen clichés. Het is juist die geleidelijke overgang van het ene genre naar het andere dat de elementen van beide zo mooi met elkaar contrasteert.

Nu verwacht ik dat sommigen van jullie terugkijken naar de titel van dit stuk en zich afvragen wat dit alles te maken heeft met Final Fantasy, Grimdark of Chocobos. Ontwikkelaar Square Enix heeft met dit meest recente deel van een van de belangrijkste Japanse fantasycomputerspelreeksen een poging gedaan om het spel aantrekkelijker te maken voor de Amerikaanse en Europese markt. Dit is niet de eerste keer dat ze dit proberen. Sinds Final Fantasy XII uitkwam in 2006 is de serie immers steeds meer afgedwaald van de turn-based gevechtssystemen richting meer actie georiënteerde speelstijlen welke populairder zouden zijn in de westerse markt. Final Fantasy XVI gaat hier zeker verder in dan eerdere spellen in de reeks. Maar wat deze poging voor mij extra interessant maakt is dat ze dat ook proberen met dezelfde methode die Rob van Essen gebruikt in De Goede Zoon. Ze presenteren een wereld en een verhaal die sterk aanhaken op wat zij zien als de huidige standaard binnen de westerse fantasy. Gaandeweg introduceren ze steeds meer elementen uit het subgenre van fantasy dat zich de afgelopen paar decennia gevormd heeft in de Japanse computerrollenspellen (JRPGs). Net als bij de Goede Zoon is het heel verhelderend om te zien welke elementen er tijdens het verhaal achtergelaten worden.

Bij welke stroming van de westerse fantasy de makers van Final Fantasy XVI aanhaken zal wel duidelijk zijn aan de hand van de titel van dit artikel. Ze putten uit de Grimdark en dan om heel precies te zijn bij A Song of Ice and Fire/Game of Thrones van George R.R. Martin. Wat zijn nou de elementen die uit dat werk zijn overgenomen die we nog niet vaker in Final Fantasy hebben gezien? Het antwoord is simpel: middeleeuwse taferelen, veel bloed en seks.

Dit is de eerste Final Fantasy in ruim twintig jaar die zich afspeelt in een pseudo-middeleeuwse wereld: kastelen en ridders, koningen en koninginnen, prinsen en prinsessen. Natuurlijk rijden de ridders op de voor de serie iconische loopvogels genaamd Chocobos in plaats van op paarden, want het blijft natuurlijk wel Final Fantasy. Gedurende de proloog wordt de heersende familie van het Groothertogdom Rosaria op een kritiek moment verraden en wordt de enige overlevende zoon, hoofdpersoon Clive, tot slaaf gemaakt. Het is een segment dat zo uit de pen van George R.R. Martin had kunnen vloeien. Afgezien, natuurlijk, van het gevecht tussen twee reusachtige wezens dat de climax van de proloog vormt. In de eerste akte, dat zich zo’n 13 jaar na de proloog afspeelt, blijft het Grimdarkgehalte hoog. Naar mijn weten is dit de eerste Final Fantasy waar personages rondlopen met bloed besmeurde gezichten en waar expliciete seksscènes en naakte personages (alhoewel met strategisch geplaatste ledematen) in voorkomen. Het is niet de eerste Final Fantasy waarin vrouwelijke personages er bekaaid vanaf komen, maar dit is de eerste keer dat seksueel misbruik als achtergrondverhaalelement voor een van die personages wordt opgevoerd. Niet dat ik pertinent tegen het gebruik van seksueel geweld in fictie ben, maar hier voelt het heel erg als een afvink-moment, een Grimdark-element dat ook nog even de revue moest passeren. In diezelfde trend is er ook een chronisch gebrek aan melanine onder de personages in het spel. Maar ere wie ere toekomt, het is waarschijnlijk deze zelfde afvinkmentaliteit die heeft geleid tot voor zover ik weet het eerste duidelijk heldhaftige homoseksuele personage in Final Fantasy.

Maar we zien ook steeds meer elementen terugkomen die we meer associëren met de typische smaak van Fantasy die zich in Japanse computerspellen heeft ontwikkeld. Niet al te lang na de proloog kijkt Clive uit over een vlakte vol met de neergestorte wrakken van gigantische luchtschepen die daar al millennia lang liggen. Er wordt gevochten tegen robots en we onderzoeken ruïnes van deze letterlijk en figuurlijk gevallen beschaving voor wie technologie en magie eender waren. Hoe verder het verhaal vordert worden de Grimdark-elementen steeds meer naar de achtergrond gedreven. Niet dat ze helemaal verdwijnen, maar ze worden veel minder prominent. Tot het moment dat we uitkomen bij de kleine groep rebellen die het opnemen tegen de gevestigde orde. Deze strijd brengt onze helden natuurlijk in conflict met God, of althans een sciencefictionachtige twist op dat concept. Oftewel, wel wat begon als pure Grimdark (met Chocobos) eindigt als een typische jRPGs.

Ondanks de kritische punten die ik hierboven heb beschreven heb ik genoten van het spel, genoeg om er ruim honderd uur van mijn leven aan te spenderen. Het is boven alles een prachtig spel, met epische gevechten, wonderlijke landschappen en fantastische muziek. Final Fantasy staat al jaar en dag bekend om de kwaliteit van de vormgeving en dit spel is een waardige opvolger in die traditie. De architectuur van die gevallen beschaving, die ik alleen kan omschrijven als magitech-gothic, was voor mij wat dat betreft een hoogtepunt. Het gevechtssysteem, alhoewel het niks meer wegheeft van het turn-based systeem van oudere Final Fantasy spellen, heeft mij van begin tot einde kunnen vermaken. Alhoewel het verhaal echt niet het meest originele is heeft ook dat mij tot het eind weten te boeien.

Maar toch blijft er het gevoel dat het spel een onbedoelde aanklacht is tegen westerse fantasy. Hier wordt vanuit een andere fantasytraditie gekeken naar wat er in het westen wordt gedaan en gezegd: dus dit is wat jullie willen. Final Fantasy XVI zet ons een spiegel voor en we moeten ons afvragen, wiens schuld is het dat wat we zien in die spiegel niet altijd even positief is?

Deze recensie, door Eddie A. van Dijk, is eerder verschenen in HSF (2023/3).

FINAL FANTASY XVI | SQUARE ENIX.

Verteerbaar – Interview met Martijn Lindeboom – HSF 2023/3

Verteerbaar is een bundel met vijf essays van wetenschappers en vier sciencefictionverhalen van speculatieve auteurs over de eiwittransitie. De bundel is samengesteld door Martijn Lindeboom en vormgegeven en geïllustreerd door Remco Nieboer.

Wat is nu het belang van nadenken over eiwittransitie?

De overgang van het eten van dierlijke proteïne naar een plantaardig dieet ligt heel gevoelig. Bij boeren, bij vleeseters, bij conservatieven, bij mensen die tegen verandering zijn. Het roept heel veel emotie op en daarmee weerstand. We kunnen het ons als mensheid niet langer veroorloven te wachten met de eiwittransitie, maar ook de energietransitie en al die andere maatregelen die we moeten nemen om het menselijk leven op aarde te redden. Door interessante, onderbouwde en voelbare toekomstperspectieven te schetsen, zoals in Verteerbaar, hopen we enkele twijfelaars over de streep te trekken.

Heel interessant: de nieuwe gedeputeerde van Provincie Groningen voor Landbouw nam het eerste exemplaar van Verteerbaar in ontvangst en was lovend, zowel over de wetenschappelijke essays, als de verhalen. Dat is opvallend, omdat zeker het laatste verhaal gaat over een utopische toekomst zonder vleesconsumptie en zelfs zonder boeren… en de gedeputeerde is lid van de BBB. Wellicht dat we dus al wat mensen aan het denken hebben gezet.

Hoe is dit project ontstaan?

Kunstgalerij Artphy is al een aantal jaren bezig met het bespreekbaar maken van maatschappelijke thema’s door middel van kunst. Vaak zijn dat tentoonstellingen, concerten, theatervoorstellingen en lezingen met een bepaald thema, en nu voor de derde keer is er ook een feit-en-fictieboek uitgegeven. Het feit-en-fictieconcept is door mij bedacht, ik heb inmiddels acht boeken met dat concept geschreven en/of samengesteld, waarvan drie voor Artphy.

In 2018 ging het over klimaatverandering, met het boek Grontopia. Daar hoorde ook een schrijfwedstrijd bij en meerdere in het genre bekende auteurs leverden een verhaal voor de bundel. In 2022 was het thema heksenvervolging en hoe die nog steeds doorwerkt in de man-vrouwverhoudingen, met het boek Heks! ten gevolge.

Tot eind oktober 2023 is de expositie ‘Verteerbaar’ in Artphy te zien: biokunst geïnspireerd op een toekomst waar we vooral plantaardig eten. In dat kader zijn door wetenschappers vijf uiteenlopende essays geschreven, over stikstofafvangst door planten, de geschiedenis van voedsel, DNA-aanpassing van gewassen en dergelijke. Daarbij hebben vier auteurs van speculatieve fictie elk hun eigen fictieverhaal geschreven, te weten: Christien Boomsma, Roderick Leeuwenhart, Bianca Mastenbroek en Martijn Lindeboom. Samen is dat Verteerbaar het boek geworden. Remco Nieboer heeft de illustraties en vormgeving verzorgd.

Welke mogelijkheden zie je nog meer voor het genre op het gebied van samenwerking tussen schrijvers en wetenschappers?

Die zijn er heel veel. In het verleden heb ik samengewerkt met archeologen, sociologen, historici, klimatologen, biologen, juristen en natuurkundigen en dat heeft historische fictie, sciencefiction, fantasy, horror, thrillers en realistische verhalen opgeleverd. Ik droom nog steeds van een bundel met sciencefictionverhalen bij wetenschappelijke artikelen over ruimtevaart, nanotechnologie, (echte) AI, kwantumcomputers en andere harde SF-onderwerpen, maar tot nu toe durven uitgevers dat nog niet aan. De mogelijkheden zijn eindeloos, net als de fantasie.

Heb je nog andere leestips over dit onderwerp?

Eiwittransitie is een nogal specifiek onderwerp. Daarom krabde ik me ook aanvankelijk op de kop over wat voor verhalen je daar over zou kunnen schrijven. Volgens mij is dat heel goed gelukt met Verteerbaar, maar ik ken zo niet echt boeken over dit niche-onderwerp, zeker niet met een fictieve insteek. Natuurlijk zijn er wel erg veel wetenschappelijke artikelen en boeken hierover.

Meer in het algemeen is mijn ‘go to’ aanrader voor alles wat te maken heeft met transities die de mensheid moeten redden: The Ministry for the Future van Kim Stanley Robinson. Het begint als een dystopisch verhaal van de menselijke ondergang op onze planeet, maar Robinson weet dat door allerlei prachtige, op wetenschap gebaseerde vignetten rond de hoofdverhaallijn om te keren. En dat hij denkt dat er ook klimaatterrorisme nodig is om als soort te overleven, dat neem ik dan maar op de koop toe.

 

Martijn Lindeboom schrijft voornamelijk fantasy en sciencefiction, met uitstapjes naar non-fictie, historische fictie, thrillers en horror.

Samen met Debbie van der Zande schreef hij Hoe schrijf ik fantasy en sciencefiction? voor de Schrijfbibliotheek van Atlas-Contact. Voor Luitingh-Sijthoff stelde hij de bundel Halloween Horror Verhalen samen (met daarin twee van zijn verhalen) en voor uitgeverij De Geus stelde hij met Vamba Sherif de bundel De komeet met speculatieve verhalen samen. Inmiddels zijn er zo’n negentig van zijn verhalen verschenen in tijdschriften, bundels en boeken.

Hij is redacteur, schrijfwedstrijdencoördinator en SF&Fantasy-expert bij Lezers community Hebban.nl, waar hij o.a. de Harland Prijs voor speculatieve verhalen bestiert. Ook is hij schrijfdocent bij de Schrijversacademie en ArtEZ Creative Writing.

Dit interview is eerder verschenen in HSF (2023/3).

Een prijs voor enthousiasme – column – Johan Klein Haneveld – HSF 2023/3

Een prijs voor enthousiasme

Johan Klein Haneveld

“Het genre is klein, maar de fans zijn enthousiast!” Zo concludeerde ik onlangs in een reactiedraadje op Facebook. Het gesprek begon toen een bevriende schrijver wilde weten waar ik mijn korte verhalen heen stuurde om te publiceren. Ik noemde websites als Out of this world, Fantasize en Modern Myths en de tijdschriften HSF, SF Terra en Fantastische Vertellingen. De schrijver had noch van de websites gehoord, noch van de tijdschriften. “Liggen die ook in de boekwinkels?” kwam de vraag. Mijn antwoord moest helaas ontkennend zijn. We weten allemaal dat SF, fantasy en horror van eigen bodem ondergeschoven kindjes zijn, waarvoor in de media, bij grote uitgevers en in de boekwinkels weinig belangstelling is. Zelfs in Facebookgroepen met als doel Nederlandstalige SF en fantasy te promoten, wordt vooral buitenlands werk besproken.
Dat alles hoef ik hier niet te herhalen. Wat het wel waard is om voor het voetlicht te brengen, is dat enthousiasme. Want als de media, de uitgevers en de boekwinkels het laten afweten, nemen de fans het over. Zo ging het in de Verenigde Staten en in Engeland in de begindagen van de SF en zo gaat het nu in ons taalgebied. Liefhebbers richten verenigingen op, organiseren conventies en brengen tijdschriften uit. Schrijvers stellen verhalenbundels samen waarin ze schrijfcollega’s een plek geven. Websites met verhalen, interviews en artikelen worden door fans onderhouden. Zo kunnen beginnende en gevorderde schrijvers hun verhalen gepubliceerd zien, zijn er gelegenheden waarop schrijvers en lezers elkaar kunnen ontmoeten en komen online en offline nieuwe initiatieven tot stand. Ik denk aan de bundels met spookverhalen en Alice in Wonderland-verhalen die Finn Audenaert organiseert en het door Remco Meisner uit de grond gestampte Fantasticon.
Bij elkaar ontstaat er op deze manier een levendig ecosysteem. Dat viel ook mijn gesprekspartner op. “Ik wist niet dat dit genre zoveel magazines had,” zei die. “Dat lijkt wel meer dan de andere genres. Ik ga ze eens opzoeken.” Ik was blij weer iemand de kant van de tijdschriften op te hebben gestuurd. Die kunnen allle aandacht gebruiken. Het kan namelijk ondankbaar werk zijn veel energie in een tijdschrift, een conventie of een bundel te steken en vervolgens nauwelijks iets terug te horen. Juist omdat het geen professionals zijn die ons als schrijvers en lezers plekken geven om mooie verhalen te ontdekken, maar liefhebbers, kunnen ze wat bemoediging goed gebruiken, zoals een recensie van een tijdschrift of bundel, of een bedankje voor het organiseren. De St. Fantastische Vertellingen heeft zelfs een speciale prijs in het leven geroepen, de Bemoste beeld-prijs, voor iemand die iets bijzonders heeft betekend voor het fantastische genre. Maar nog beter is het als je zelf je handen uit de mouwen steekt, helpt bij een vereniging of mensen vertelt over het bestaan van een tijdschrift. Niets geeft immers zoveel energie als zien dat mensen door jouw initiatief geïnspireerd raken en zelf ook aan de slag gaan. Zo komt er groei op gang in het genre. Ik ga en blijf daar dus zelf ook mijn best voor doen.

Dit artikel, door Johan Klein Haneveld, is eerder verschenen in HSF (2023/3).

De Fantastische Elementen – Frank Norbert Rieter – HSF 2023/3

Vrijwel alles wat ik schrijf valt voor mij onder de noemer fantastiek. Ik schrijf fictie. Voor ieder verhaal bouw ik een wereld, kies ik zorgvuldig het perspectief en de schrijfstijl. Het eindresultaat heeft altijd een licht betoverend of vervreemdend effect, dat vaak wordt aangeduid met het Engelse ‘sense of wonder’. Dat geldt ook voor mijn werk dat ogenschijnlijk in het hier en nu speelt. Maar niet herkent in al mijn werk het fantastische.

Mijn roman Oom Ludo werd bijvoorbeeld door fandata.nl vriendelijk geweigerd. Een te laag fantasy gehalte. Daar wil ik mild over zijn, want het is meer een literaire roman dan een magisch realistisch werk, al zitten die magische elementen er wel in. Maar het haalde herinnering boven aan jurycommentaren van schrijfwedstrijden waar ik aan mee deed. Daar kreeg ik soms ook als feedback dat verhalen te weinig fantasy- of scifi-elementen bevatten. Ik vond dat commentaar vaak kortzichtig. De toets of iets fantasy of scifi is, is toch niet terug te voeren op de simplistische toetssteen: komen er wel genoeg draken of ruimteschepen in voor? Ik zou graag willen ageren tegen het al te eenvoudig tellen van ‘elementen’ om maar vast te stellen of iets voldoende tot het domein van de fantastiek behoort.

Ik wil overigens niets afdoen aan het plezier en de betovering de bekende elementen geven. Ze zijn ontegenzeggelijk waardevol. Draken, toverij en eenhoorns. Ruimteschepen, robots en supercomputers. Het is allemaal prachtig. Al raken soms die elementen wat al te bekend. Dezelfde juryleden en recensenten die op het ene moment klagen over een gebrek aan bekende elementen kunnen op een ander moment verzuchten dat het allemaal niet origineel genoeg is. Ook sommige lezers kunnen afgeven op alsmaar ‘meer van hetzelfde’, terwijl anderen er maar geen genoeg van krijgen. Wat ook je persoonlijke voorkeur, iedereen zal onderkennen dat het niet alle auteurs lukt om op een goede manier oude wijn in nieuwe zakken te gieten.

Ik ben ervan overtuigd dat dat meestal niet ligt aan het hergebruik van de bekende elementen, maar dat zo’n auteur het juist op andere vlakken laat liggen. Er zijn twee stijlmiddelen die ik zelf essentieel vind voor de fantastiek, buiten alle ‘elementen’. Je hebt ze nodig om de ‘sense of wonder’ op te wekken. Lezers zullen het ervaren. Wie afgaat op een onderbuikgevoel zal bij het goed gebruik van deze stijlmiddelen meteen herkennen: dit is een ‘magisch’ boek. Het gaat om het gebruik van perspectief en schrijfstijl.

Het perspectief en de wereld

Toen het fantasy-genre ontstond werden de meeste verhalen geschreven vanuit het perspectief van een hoofdpersoon die vanuit een ‘gewone’ wereld een ‘magische’ wereld betrad. Op die manier kon de lezer geleidelijk wennen aan het wonderbaarlijke. Wat vreemd of anders was kon op een natuurlijk manier worden uitgelegd of gepresenteerd. Denk aan het konijnenhol waar je in valt of een spiegel waar je doorheen stapt. De vakliteratuur (1) heeft er een naam voor: portal-fantasy.

Zelfs The lord of the rings is in zekere zin portal-fantasy. De Gouw voelt in alles huiselijk en veilig. De grazige heuvels, de knusse holen: het kost de lezer weinig moeite om daar een veilige thuishaven in te herkennen. Van daaruit wordt de lezer, samen met de hoofdpersonen, de gevaarlijke, wonderbaarlijk en onbekende wereld in gevoerd.

Fast forward naar zo’n honderd jaar later: de lezer is al lang en breed bekend met het wonderbaarlijke en verwacht dat juist een fantasy boek je meevoert naar een andere, vreemde wereld. Er is minder uitleg nodig. Er wordt nog steeds echte portal-fantasy geschreven. Maar het is ook prima om de lezer meteen midden in de wereld en het verhaal te droppen. Nog een vakterm: ‘hit the ground running’. Je leert de wetmatigheden van de wereld snel genoeg kennen als je er middenin zit.

Wat we kunnen leren van de wisselwerking tussen perspectief en wetmatigheden in de wereld is waardevol voor de beoordeling of iets fantastiek is. Ook als een wereld geen of weinige fantastische elementen kent, kan de wereld eigen wetmatigheden hebben. Een ander ‘normaal’. Of het snel of langzaam is, de lezer wordt er mee geconfronteerd en gaat stapsgewijs het wereldbeeld adopteren. Als de lezer over de schouder van de hoofdpersoon meekijkt kan er een mooie spanning ontstaan tussen het normaal van de lezer, de hoofdpersoon en de wereld. Uit dat spanningsveld ontstaat de magie.

Als ik kijk naar ‘mainstream fantasy’ vind ik het leuk om een prikkelende stelling te poneren. Een draak maakt een boek nog niet fantasy. Als de lezer in een boek draken verwacht, en in de wereld draken normaal zijn, en de hoofdpersoon draken normaal vindt, dan dragen die draken op geen enkele manier meer bij aan de ‘sense of wonder’. De bekendheid van de fantastische ‘elementen’ gaat zelfs tegen werken. De verrassing en de magie zijn ervan af.

De schrijver denkt het zich wellicht makkelijk te maken door bekende elementen er in overdaad in te stoppen, maar het gevoel van verwondering en avontuur moet ergens anders vandaan komen. Een schurend perspectief dat voldoende dramatische spanning opwekt is er daar één van.

De fantastische taal

Sommige auteurs lijken te denken dat als ze namen maar vormen uit een exotische lettercombinatie met een paar diakritische tekens, dat er daarna nog maar weinig hoeft te gebeuren om een verhaal fantasy te noemen. Maar taal heeft op zichzelf de eigenschap om sfeer op te wekken. Alleen al door woordkeus en syntaxis. Door een slimme keus daarin zeg je heel veel over een wereld of een personage. Een bekend en extreem voorbeeld daarvan is de manier waarop Yoda uit Star Wars spreekt. Dichter bij huis is het werk van Marten Toonder een goed voorbeeld. Onder andere door het gebruik van neologismen (van denkraam tot zwelgbast) voel je als lezer dat je de wonderlijke wereld van Olie B. Bommel bent binnengestapt.

Ik ben zelf altijd heel bewust bezig met woordkeus. Mijn bundel Onwaarschijnlijke helden speelt in een wereld die losjes is gebaseerd op de Nederlandse middeleeuwen. Een belangrijk verschil is het ontbreken van christelijke invloeden. De namen in de wereld koos ik zorgvuldig met de nodige naslagwerken onder handbereik. (2) Daarnaast vermeed ik bij het schrijven zorgvuldig alle anglicismen en ik leunde wat zwaarder op Germaanse leenwoorden. Om inspiratie op te doen en om de taal die ik beoogde in de vingers te krijgen herlas ik oude vertalingen. Onder andere een Decamerone uit de jaren ’50 en de vertellingen uit Kantelberg uit de jaren ’60. Zowel het idioom als de syntaxis wekken een heel ander gevoel op dan hedendaags proza. Het is natuurlijk de kunst om er geen pastiche van te maken. Ik wilde nog altijd verhalen van nu schrijven. Ik had in de verteltrant en met de personages daarom wel wat te compenseren: moderne thema’s en een spitse en vlotte beschrijving van de gebeurtenissen. Of ik daar echt in geslaagd ben, mag iedere lezer voor zich zichzelf bepalen, maar wat ik vooral wil aangeven is dat deze verhalen niet alleen fantasy zijn omdat er magisch bibliotheken en tovenaars in voorkomen. Maar evenzeer om de taal.

Het bewust omgaan met woordkeus en syntaxis lijkt een ondergeschoven kindje te zijn bij veel hedendaagse fantasyschrijvers. Als het niet in een andere wereld met magische zaken speelde, had het proza ook door Kluun of Koch geschreven kunnen zijn.

Ik heb wel eens gedacht dat het in Nederland is misgegaan toen Couperus zijn neoromantische periode achter zich liet en naturalistisch werk begon te schrijven. De voorkeur voor kaal en realistisch proza vond in Nederland alom navolging en een schrijfstijl die ‘geen woord te veel’ gebruikt wordt tot de dag van vandaag geprezen. Daarnaast is er onder redacteuren en uitgevers ook nog wel een no-nonsense attitude met een lichte een angst voor een al te idiosyncratisch idioom. Al te moeilijke of in onbruik geraakte leenwoorden moeten bij voorkeur gemeden worden. Het moet wel leesbaar blijven.

En dat terwijl er zo’n mooie hoeveelheid woorden is om uit te kiezen. Meer dan tweehonderdvijftigduizend woorden telt de Nederlandse taal. De meeste Nederlanders kennen er daar zo’n tien procent van. De Engelse taal telt er overigens minder: zo’n honderdeenenzeventig duizend. Dat verschil laat zich deels verklaren doordat het Nederlands wat sneller is met het ‘officieel’ opnemen van nieuwe woorden en leenwoorden. Maar hoe dan ook is er een grote variëteit aan woorden om uit te putten.

Engelse auteurs benutten het aanwezige potentieel soms beter. Het typische fantasyjargon met de specifieke woorden voor wapengerei, occulte zaken en wat dies meer zij wordt al sinds de vorming van de genres grif gebruikt. De neoromantiek gaf daar juist een goede basis voor het fantastisch idioom en de opkomst van meer sobere schrijven deed daar niet aan af. Als voorbeeld: een klein rond schild is in het Engels al snel een buckler. In het Nederlands gebruikt vrijwel niemand het equivalent beukelaar, maar wordt het gewoon een klein rond schild genoemd, of iets vergelijkbaar prozaïsch. En dat terwijl in de context van het verhaal ook voor mensen die het woord niet kennen glashelder is wat er mee bedoeld wordt.

Je hoort lezers wel eens zeggen dat het Engels meer geschikt is voor fantasy, omdat het meer de woorden heeft daarvoor. Ik denk niet dat dat waar is. Ik denk wel dat we het gebruik van de woorden die ervoor nodig zijn een beetje zijn ontwend. Het zijn de schrijvers die moeten graven en zoeken en afstoffen.

Ik zoek en gebruik dat soort woorden bewust. Misericorde voor het mes dat gebruikt wordt bij een sluipmoord. Grimoire voor spreukenboek. En liever een pastinaak of schorseneer dan gewoon een knol of een wortel. Het zijn de kleine verschillen en keuzes die allemaal bijdragen aan de sfeer in een verhaal.

Veel collega-schrijvers laten kansen onbenut en introduceren soms zelfs onnodig nieuwe leenwoorden (zoals het genoemde ‘buckler’). Er zijn ook uitzonderingen. Peter Schaap gebruikt bijvoorbeeld in zijn eerste werk Ondeeds de Loutere een heel fijn en sfeervol idioom. Dat is helaas ook meteen zijn meest zorgvuldig geschreven werk. Taalkundig is het ook meteen zijn beste werk. Verder kom ik het vooral in vertalingen tegen. De vakkundige omzetting uit andere talen dwingt tot creatief zoeken in de minder gebruikte uithoeken van het woordenboek. Iedere schrijver zou af en toe wat werk moeten vertalen om op die manier met andere woorden en een andere zinsopbouw in aanraking te komen.

En er is zonder twijfel in het Nederlands ook veel werk dat ik niet ken. Ik noem nog een recente ontdekking. Ik kreeg afgelopen jaar de gouden tip om eens wat werk van Arij Prins te lezen. Dat is bij uitstek een schrijver met een heel eigen stijl. Je kunt het helaas niet hedendaags of heel toegankelijk noemen.

Enfin, het was niet mijn bedoeling om van dit artikel meteen een diepgravende analyse van de taal van Nederlandse fantasy schrijvers te maken. Ook realiseer ik me dat wat ik schrijf wellicht voor fantasy meer waar is dan voor science fiction. Scifi wordt vaak gekenschetst als ideeëngenre en is daardoor iets minder afhankelijk van de ‘sense of wonder’. Dan maak je als schrijver het ontbreken van genoeg ‘scifi elementen’ misschien niet goed met het juiste perspectief of taalgebruik.
Al ga ik die uitdaging zelf niet uit de weg. In het verhaal Kiki dat ik schreef deed ik het tegenovergestelde wat ik deed voor Onwaarschijnlijke helden. Ik verrijkte de taal met zoveel mogelijk anglicismen en zocht naar een Nederlands waarvan ik me voorstelde dat we het over twintig of veertig jaar zouden spreken.

Ik hoop met dit artikel anderen te inspireren om bij het lezen van fantastiek wat meer te genieten van de schrijfstijl en techniek, naast alle heerlijke elementen op verhaal en wereldniveau. Wie Nederlandse schrijvers of vertalingen vindt die zich bij uitstek op deze punten onderscheiden, laat het me gerust weten. Ik hoop op termijn eens een artikel te schrijven dat nog wat verder ingaat op taal en stijlgebruik bij Nederlandse fantasyschrijvers.

Ik sluit graag af met een citaat van een van mijn favoriete schrijvers, Clark Ashton Smith. Als geen ander wist hij de magische sfeer in zijn verhalen op te wekken met de taal die hij gebruikte. In een van zijn brieven aan H.P. Lovecraft schreef hij daarover: ‘Mijn eigen bewuste ideaal is de lezer te misleiden tot het aanvaarden van een onmogelijkheid, of een reeks van onmogelijkheden, door middel van een soort verbale zwarte magie, waarbij ik gebruik maak van proza-ritme, metafoor, vergelijking, klankkleur, contrapunt en andere stilistische middelen, als een soort bezwering.’

Frank Norbert Rieter
www.franknorbertrieter.nl

 

(1) Wie bij het begrip ‘vakliteratuur’ nieuwsgierig is geworden kan ik onder andere de volgende boeken aanbevelen.
a. A short history of Fantasy, Farah Mendlesohn en Edward James
b. Rhetorics of fantasy, Farah Mendlesohn
c. Fantastic Literature, A Critical Reader, red David Sandner
(2) Een paar etymologische naslagwerken die ik gebruikte bij Onwaarschijnlijke helden:
a. Nederlandse plaatsnamen, T Groenedijk
b. Huizinga’s complete lijst van voornamen

Voor wie even wil proeven aan stijlverschillen met een fantastisch idioom in Nederlands proza geef ik hieronder een paar sprekende fragmenten. Ik heb ze niet uitgekozen omdat ze allemaal tot de fantastiek behoren (of omdat het goede of bekende werken zijn), maar omdat het auteurs zijn met een sterke eigen stijl of die heel goed in staat zijn om met hun woordkeus, ritme en zinsopbouw de sfeer van de wereld te versterken of op te bouwen.

A.
Uit de stad een bonte stoet met koning Harold, die op een heel wit paard, langzaam onder den zwaren last. Om zijn uitpuilend kwal-lichaam zonder beender-vastheid, een mat-vermiljoene talaar, moeielijk dicht door gouden agrafen, en op zijn zuip-water-hoofd met glimmend-vette halsplooijen en krab-roode blaas-wangen, waar-boven-achter schuil-lagen donkere muis-oogen, de lage mat-gouden bandkroon onder een zijden doek, waarin de leliën op.

B.
Doch het was niet louter het laaiende vuur in de hoge, gewelfde hal dat het hart van de oude Baron verwarmde, noch het zware stuk venizoen dat rond wentelde aan het spit in de haard, noch zelfs het besef dat hij gezegend was met een schone en willige gade die haar veertig jaren met zulk een waardigheid droeg dat haar leeftijd werd gehalveerd en met een dochter van negentien lentes, lustig en wulps, naar wier hart en gunsten menig aanbidder dong. Deze gaven beschouwde de Baron als de voegzame en rechtmatige privileges van elke edelman die de Saracenen had gebaft in het Heilige Land. Wat de Baron in het bijzonder verheugde was het vooruitzicht van een avond gevuld met bloemrijke en gezouten maren, want niets schonk de oude krijgsman meer vreugd dan een goed verteld verhaal.

C.
Daar leefde es in de streek vanwaar ik kome
’n Aartsdeken. ’t Was een hele hoge ome.
Die maakte korte metten als hij straf
Aan plegers van ontuchtigheden gaf,
Aan heksen, kerkerovers, koppelaars,
Aan overspeligen en lasteraars,
Aan knoeiers met contracten en testamenten,
Aan weigeraars der heilige sacramenten
En plegers van nog heel wat ander kwaad
Waarvan ‘k de lijst maar achterwege laat,
Van woeker onder meer en simonie.
Maar ontucht strafte hij het zwaarste. Wie
Daarop betrapt werd liet de deken brommen.
Ook kleine pachters liet hij niet ontkommen.
Zo tegen hen een paap getuignis gaf
Kwamen ze er niet maar met een boete af.
Voor kleine tienden en kleine offergaven
Liet hij ze zingen achter ijzren staven;
Eer hen de bisschop met zijn kromstaf ving
Stonden ze al op de aartsdekens rekening.
Dan had hij ook, krachtens zijn jurisdictie,
Volkomen machtiging tot hun correctie.
Een bodel was des dekens rechterhand.
Daar was geen sluwer schalk in Engeland.

D.
En Dafnis, Eole volgden de faunen en saters. De fluitjes, in vollere en dollere gamma’s, vlug op en vlug neêr, riepen hierheen! daarheen! hierheen! daarheen! en kwam de stoet aan de opene plek, rotsigen wand, gruizeligen grond, ten Zuiden bloot gesteld, dan naderden de saters en faunen, plots ernstig, en zij plantten samen met eerbied den wijnstok, terwijl op de karteling van den rots het Panszoontje bleef dansen en fluiten, ruigjes tegen de blauwe lucht, als een opstaand bokje in het azuur. Zoo verdeelde de stoet zich telkens, maar ook telkens vonden de nieuwe wijnbouwers elkander in het woud terug, want de faunen, op hunne langere fluiten, trompetterden de blijde wijze luid, als signaal, dat hen allen verzamelde. Het woud bleef vol beweging, het land daverde van het vroolijke oproer.

E.
‘Kom,’ zei de prior, zijn toon matigend, ‘behandel mij niet zo hard. In de grond mag ik de jagers wel. Als ik de jachthoorn steek weergalmt het door het bos. Behandel me niet zo hard.’
‘Geef hem een hoorn,’ zei de bendeleider. ‘Eens kijken of hij het werkelijk kan.’
Prior Aymer blies op de hoorn. De aanvoerder schudde het hoofd.
‘Heer Prior,’ zei hij, ‘het klinkt heel vrolijk, maar komt er niet mee vrij. Ik hoor, dat u een van degenen bent, die met nieuwe Franse klanken de oude Engelse hoorntonen verknoeien. Prior, die laatste uithaal heeft vijftig kronen aan uw losprijs toegevoegd, als straf voor het bederven van de krachtige oude jachttonen.’

F.
Augustus, dragende zijn purperomzoomde toga, zat in een breeden, laaggerugden zetel, het bovenlijf wat voorover, de ellebogen rustend op de armleuningen. Doordringend, wenkbrauwfronsend nu en dan, doch zwijgend steeds, had hij den vóór hem staanden commandant gedurende diens spreken aangekeken. Toen Lollius zweeg, kwam er een korte stilte. In spanning wachtte de prefect op wat Augustus nu zou zeggen. Zoo stond daar ook Vetruvius Pollio, Rome’s bekwame architect, met onrust op het gelaat, den imperator aan te kijken. Bleek en vermagerd was deze man, die z’n haast bovenmenschelijke werkkracht benutte tot uitvoering van Augustus’ streven, Rome te verfraaien, de huizen te verbeteren, de licht-ontbrandbare houten woningen te vervangen door steenen gebouwen, wier hoogte een bepaalde maat niet mocht te boven gaan.

G.
‘Hier’, zei het oude mannetje, stilstaand bij een muur, waarover ranken kamperfoelie hingen. ‘Hierachter is het huis waar niemand woont. De deur is open, je kunt zò naar binnen lopen. Je moet wel eerst over het tuinhek klimmen, maar voor een jonge kerel zoals jij… De mensen zeggen dat het er spookt. Maar de mensen zijn gek.”

Vlakbij, aan het eind van het paadje waar ze stonden, brandde èèn onnozele lantaren; voor de rest was het overal donker. En stil… Nee, toch niet helemaal stil. Uit de verte, waar de hemel boven Lavendertown bont en blauw was door de lichtreclames, dreven vage geluiden aan. Als de echo van een echo hoorde je een dof rhytmisch bonken als van beat- muziek.

H.
Sinte Agnese van Valtherheerde was een Heilige waarop je bouwen kon, dacht Ondeeds de Loutere vergenoegd. In zijn handpalm koesterde hij het minuscule vlammetje dat dankzij langdurige aanroepingen en na een maand vasten en mediteren uit het niets te voorschijn was gekomen. Zijn knieën waren stijf en zijn tenen voelden doods en afgeknepen aan door de langdurige hurkzit op de kale rotsvloer. Het opstaan viel hem niet mee. Hij kreunde van pijn en inspanning. Zijn hoofd galmde nog na van de voorgeschreven litanieën aan Sinte Agnese, maar zelfs dat vormde nog niet het einde van de ongemakken die hij moest ondergaan. De grootsheid van het jaarlijkse louteringsritueel vervulde hem met gepaste opwinding, tevredenheid, en bovenal een immense honger.

I.
De voorhang dichtgevallen achter de soldaten. Door de arrestanten herkend en met onbehagen veranderd bevonden de nu besloten ruimte van de rechtszaal. Vroeg ochtendlicht, nog dampig, achter de boogvormige ramen, uitgespaard in het metselwerk tussen de zuilen. Ieder van de zojuist binnengebrachten kent het secretarium van de prefect nog uit de periode voor de Gotische verovering. Sommigen zijn hier wel eens opgetreden als getuigen, anderen als aanklagers, een van hen tien jaar tevoren zelfs als beklaagde. Destijds door een open galerij uitzicht op een binnenhof en de muren van de voormalige Tellus-tempel. Nu van de buitenwereld niets waarneembaar dan weerkaatsing van licht in hooggeplaatste raamnissen.

a. Uit het verhaal Harold, Arij Prins (uit de bundel Een koning, 1924, online beschikbaar via dbnl.org)
b. Boertige en glorieuze vertellingen – Nicholas Saere (vertaling)
c. De vertellingen van Kantelberg – Geoffrey Chausser (vertaling)
d. Dyonisos – Louis Couperus
e. Ivanho – Sir Walter Scott (vertaling)
f. De groote misleider – W M Ebbink
g. De monsters van Stone Valley – Henriette van Eyk
h. Ondeeds de Loutere – Peter Schaap
i. Een nieuwe testament – Hella Haasse

Dit artikel, door Frank Norbert Rieter, is eerder verschenen in HSF (2023/3).

www.franknorbertrieter.nl

Programma 9000con bekend!

Op 5 mei 2024 is er in zaal QLT te Sint-Amandsberg bij Gent de SF/F/H-conventie 9000con, met lichte nadruk op SF.

Het gaat om een samenkomst in de middag: van 13u30 tot 18u30, met last call voor aankopen en drankjes om 18u. We voorzien verkoopstandjes (nieuwe boeken, tweedehandsboeken, bookish gifts), lezingen en panelgesprekken. Dit is het programma:

  • Anaïd Haen & Django Mathijsen: De sociologische impact van technologie
  • Guido Eekhaut: Interview door Finn Audenaert over zijn leven en werk
  • Johan Klein Haneveld: Klimaatverandering en sciencefiction
  • Charles van Wettum: Sciencefiction: ontspanning of maatschappelijk relevant?
  • Marjan Brouwers: De aantrekkingskracht van het onheilspellend realisme van dystopische verhalen
  • Philippe Gijsels: Wat sciencefiction ons kan leren over de nieuwe wereldeconomie
  • Patrick Van de Wiele: Sciencefiction in muziek

De voorverkoop loopt nu. Tot en met 14 april kost een ticket €10, daarna €15.

Meer info op: https://9000con.qlt-events.com/

Middag van het Fantastische Boek – 24 februari 2024 in Utrecht

Hebban organiseert samen met Bibliotheek Utrecht en de Stichting Fantastisch Genre op 24 februari 2024 de Middag van het Fantastische Boek. Er is een gevarieerd programma, met twee workshops, een fantasymarkt en een openbare discussie over AI en kunst. Het hoogtepunt van de Middag is de uitreiking van de Harland Prijs 2023.

Begin de middag goed met een boekenmarkt in de grote hal van Bibliotheek Utrecht aan de Neude, die voor iedereen toegankelijk is. Als deelnemer van de Middag van het Fantastische Boek kun je je daarna inschrijven voor een van de twee workshops, gegeven door Nederlandse fantasyauteurs Tais Teng en Edith Eri Louw. Of sluit je aan bij de openbare discussie tussen schrijvers, wetenschappers én publiek over kunst en AI. Van drie uur tot half vijf wordt in de Theaterzaal tijdens een spectaculair programma met film, panel en een optreden de Harland Prijs 2023 uitgereikt.

Meer informatie en tickets: https://www.bibliotheekutrecht.nl/agenda/volwassenen/alle-activiteiten-volwassenen/middag-van-het-fantastische-boek-agendaitem-240224.html

Literatuurfestival Het Grote Gebeuren, 10 februari in Groningen

FEIT, FABEL EN FICTIE OP LITERATUURFESTIVAL HET GROTE GEBEUREN

Met het thema Feit, Fabel, Fictie biedt literatuurfestival Het Grote Gebeuren de bezoeker een nieuwe blik op de wereld. Bekende schrijvers en nieuw talent geven op 10 februari 2024 een veelzijdige invulling aan dit thema. Science fiction, de griezelroman, politieke drama’s, Groningse sprookjes en poëzie, het komt allemaal voorbij tijdens Het Grote Gebeuren. Gecombineerd met de interessante line-up zet NOORDWOORD samen met Forum Groningen weer een mooi boekenfeest neer.

De rol die literatuur in een samenleving kan spelen staat centraal. Toekomstfantasieën komen tot leven in het programma Science fiction: fiction? Er wordt gediscussieerd over literatuur die van feiten fictie maakt en zo ander licht schijnt op de vluchtelingenproblematiek. Bezoekers kunnen meer leren over Loesje en het creatief activisme en het sadisme van Reynaert de Vos, het publiek wordt ook aangezet tot kritisch nadenken over auteurs met bedenkelijke opvattingen en hoe je daarmee om moet gaan. Cancelen of blijven lezen?

Naast de thematische programma’s zijn er boeiende interviews met grote Nederlandse én internationale namen als Adriaan van Dis, de Britse science fictionauteur Adrian Tchaikovsky, de Zuid-Afrikaanse dichter Ronelda S. Kamfer en de Oostenrijkse romanschrijver Robert Menasse. Vier debutanten komen vertellen over hun eerste boek: Gijs Wilbrink over De beesten, Jante Wortel over Weerlicht, Bilal Al Mashta over Coulis en Tiemen Hiemstra over W.

De bezoeker kan als hij wil de hele avond lekker luisteren naar de vele deelnemende auteurs die uit hun werk voorlezen, maar ook genieten van Groningse sprookjes of een poëtische dansvoorstelling. Voor iedereen die griezelen ontspannend vindt, is er het programma Luister en huiver, de comeback van de gothic novel.

Met volop interessante, actuele en veelzijdige programma’s kan iedereen voor zichzelf een heerlijk avondje uit samenstellen met een mooie mix van ontspanning en verdieping.

Kijk voor meer informatie op: www.hetgrotegebeuren.nl