Hoe de Franse SF geen SF is – HSF (2018/X)

Een soort van korte impressie van Franstalige SF in Frankrijk – Alice Jouanno

Oorspronkelijk kom ik uit Frankrijk. Met oorspronkelijk bedoel ik dat ik tien jaar geleden Nederland vaag op een kaart van Europa aan kon wijzen. Het was dat land boven België, met Amsterdam en de stad met verschillende namen (Den Haag dus). Naar Leeuwarden, waar ik nu woon, of Utrecht waar ik eerst gewoond heb, had je niet hoeven vragen.

Ik kwam voor het eerst naar Nederland met het vliegtuig vanuit het Zuid-Franse Toulouse, waar ik 19 jaar daarvoor geboren was. Toen ik eenmaal wist dat we boven Nederland vlogen, was mijn eerste commentaar dus begrijpelijk: ‘wat zijn de veldgrenzen recht’ en ‘wat veel sloten’. Dit zeg ik niet alleen zodat jullie mij de door de redactie goedgekeurde gallicismen en anglicismen niet kwalijk nemen, maar ook omdat het uiterst relevant is voor mijn ervaring met, en opvattingen over, sciencefiction.

Iedereen heeft zijn eigen unieke ervaring met sciencefiction in het algemeen en het ontdekken ervan in het bijzonder. Het is maar net welk boek je als eerste las, welke film je als eerste zag, welk spel je als eerst speelde en wat daarop volgde. Uiteraard heeft de taal (of talen) waarin je op dat moment leest invloed op welk materiaal voor jou beschikbaar is. Bij mijn onderzoek voor dit artikel (“schrijf iets over SF in Frankrijk”) viel me echter iets anders op.

De taal waarin je leest beïnvloedt niet alleen welk materiaal je onder ogen krijgt, maar ook je begrip van het genre in zijn geheel. Dit komt niet alleen door de thematiek die altijd cultureel beïnvloed is, maar ook door de nuances van taal en door de categorisering van verhalen. Zo ontdekte ik onder andere dat de grenzen tussen SF en andere genres niet alleen persoonlijk zijn.

Misschien komt dit voor jullie niet als een verrassing. Voor ik erover ging schrijven had zo’n constatering mij ook niet verbaasd. Als vertaalster en taalfanaat weet ik als geen ander hoe cultuur en taal met elkaar verbonden zijn. Toch ontdekte ik dat het bij SF veel dieper gaat dan dat ik zelf in eerst instantie dacht.

Als ik probeer een lijst te maken van de voor mij belangrijke Franse SF-verhalen, loop ik tegen een probleem aan dat niets met geheugen te maken heeft. Wel met iets dat wellicht een groot deel van de aantrekkingskracht van ons genre is je kan er namelijk niet over schrijven zonder eerst de vraag te stellen: ‘Wat is sciencefiction eigenlijk?’.

Iedereen heeft een beeld bij de term sciencefiction, maar tegelijk heeft iedereen een fundamenteel persoonlijke opvatting van wat het is. Dit maakt SF aan de ene kant een duidelijk omkaderd genre dat iedereen kent en zijn er aan de andere kant zoveel meningen over als er lezers en schrijvers zijn. Toch zijn er cultureel en taalkundig bepaalde trends te vinden.

 

FANTASTIQUE

Of een verhaal het stempel sciencefiction verdient hangt af van een aantal kernbegrippen. Het meest fundamentele is het ‘wat als’ element. SF is bovenal speculatie. SF wordt ook regelmatig aangeduid als speculatieve fictie in plaats van sciencefiction. Of zijn sciencefiction en speculatieve fictie twee verschillende maar overlappende betekenissen van SF? Ook hiervoor geldt: het is net wat je eigen opvattingen zijn. Of deze speculatie over het verleden of de toekomst gaat, doet er vaak niet toe. Het kan dus een voorspelling zijn, maar ook een verhaal waar de irrelevantie van tijd een kernbegrip is (de Thessaly-trilogie van Jo Walton illustreert dit uitstekend).

Ik heb er lang over gedaan om te snappen wat er mis ging bij mijn onderzoek voor dit artikel. Ik vond te weinig over wat ik wilde weten en te veel waar ik voor mijn gevoel niet naar zocht. Het was een lange reeks van ‘ja dit weet ik maar oh wacht daarom’ ontdekkingen terwijl de antwoorden de hele tijd letterlijk voor mijn neus stonden. Ik was er eigenlijk al over aan het schrijven zonder in te zien wat ik aan het uitleggen was. Tot ik er niet meer om heen kon bij de, dacht ik toen, laatste loodjes van mijn artikel: SF is geen Frans begrip. Begrijp me niet verkeerd, er is heel veel Franse SF. Maar bijzonder weinig hiervan wordt als SF geschreven of omschreven. Het is op zijn best fantastique, wat weer net iets anders is dan fantastisch en zeker iets anders dan fantasy (leuk hè, taal). Fantastique is een ouder en veel omvattender begrip dan fantasy.

De aanwezigheid van magie is direct een aanwijzing dat een verhaal onder fantasy valt (of misschien speculatieve fantasy voor nog een SF-afkorting) en niet onder sciencefiction. Dit komt doordat wetenschap een ander kernbegrip van SF is (wat bij speculatieve fictie dus weer ontbreekt). Waarbij technologie niet per se in detail uitgelegd hoeft te worden maar wel uit te leggen moet zijn in semi-realistisch wetenschappelijke zin. Wat je beschouwt als zodanig hangt weer af van je eigen opvattingen.

De aanwezigheid van magie doet er bij fantastique echter niet toe: het is een overkoepelend genre dat in principe (aldus de Stichting Fantastisch Genre) dezelfde lading dekt als fantastiek in het Nederlands (sciencefiction, fantasy en horror) maar met opmerkelijk meer literaire trekjes. Hoeveel er in Frankrijk hoe dan ook minder onderscheid wordt gemaakt tussen literatuur en de verschillende genres dan in Nederland, wordt sciencefiction alsnog sneller als minderwaardig gezien dan fantastique.

Het enige wat alle fantastiqueverhalen gemeen hebben is een mate van suspension of disbelief. Zo valt absurdisme ook onder fantastique. En SF uiteraard ook. Hier zien we dus dat taalkundige contextgrenzen voor cultureel getinte genregrenzen zorgen. Jacques Sternberg heeft dit al in 1958 uitgebreid besproken in zijn bekende essay Une Succursale du Fantastique nommée Science-Fiction (A Branch of the Fantastic Called Science Fiction).

 

VAN EIGEN BODEM

Over het algemeen hangt ons begrip van wat sciencefiction inhoudt en welke verhalen de klassiekers binnen het genre zijn steeds minder van nationaliteit af. Dit komt onder andere omdat er nu sneller en meer (‘beter’ zou ik niet willen zeggen) vertaald wordt dan in de vorige eeuw. Des te belangrijker is het om als lezer en schrijver te beseffen welke invloed je eigen nationaliteit heeft op je verbeelding. Gelukkig zijn er steeds meer schrijvers die (opnieuw) het belang van hun afkomst ontdekken. Als voorbeeld kan ik Bernard Werber noemen, in Nederland bekend van de trilogie De Mieren. Voor mij was hij de eerste schrijver die nog actief aan het publiceren was op het moment dat ik hem ontdekte. Hij kwam ook nog eens uit mijn stad, wat je ook met een moeilijk te duiden subtiliteit in zijn werk terug leest. Als je uit Toulouse komt dan. Vermoedelijk leest Hex van Thomas Olde Heuveult ook net anders als je in de buurt van Beek bent opgegroeid.

Alle auteurs verwerken nu eenmaal, meer dan zij zelf doorhebben, hun eigen kernwaarden in wat ze schrijven. Maar misschien wordt dit binnen SF sneller zichtbaar omdat het genre je per definitie uit je vertrouwde omgeving haalt met andere aannames en begrippen. Wat er alsnog in het werk overblijft als vanzelfsprekend laat afkomst blijken. Dit maakt SF tot een van de meest cultureel getinte literaire genres.

‘La Nuit des Temps’ van Barjavel is het eerste boek wat ik gelezen heb wat mij aanbevolen werd als zijnde SF. Ik las de oorspronkelijke Franstalige eerste editie uit 1968, waar ik destijds ongetwijfeld niet de waardering voor had die ik nu heb. Ik hecht niet snel aan materiële zaken, maar dit is een van de op twee handen te tellen boeken die niet één, maar twee, één-koffer-verhuizingen hebben overleefd. Ik zou een compleet artikel kunnen wijden aan de vertaling van deze titel. Ik snap wel waar het destijds mis is gegaan. De letterlijke vertaling ‘De nacht van tijden’ klinkt niet en dekt bovendien de lading en de nuances van de Franse titel niet. Maar tussen de Engelse titel ‘The Ice People’ en de Nederlandse titel ‘De liefde van Elea’ kan ik niet kiezen welke ik het minst erg vind. Het is bijna knap hoe dicht op de grens van spoiler en misvatting ze liggen, maar ik durf toch tegen beter weten in te hopen dat dat ook de bedoeling was.

Aan de ene kant zou ik ervan uit willen gaan dat jullie het boek allemaal gelezen hebben en aan de andere kant wil ik het risico niet lopen dat ik ook maar één iemand spoilers geef. Als je het niet gelezen hebt zou je je nu kunnen afvragen of mijn mening niet gekleurd is door mijn nostalgische blik. Kom er vooral zelf achter.

Ik vraag me af of hetzelfde niet voor het hele verhaal geldt als voor de titel: zo onmiskenbaar Frans dat de helft van wat er niet verteld wordt nooit over kan komen in een andere taal. Dit is wellicht een boek, zoals er meer zijn, dat in zijn oorspronkelijke taal gelezen zou moeten worden.

Anders kan je er bijna beter óver lezen dan het zelf lezen. Maar ook al is je Frans er goed genoeg voor, dan nog zal een myriade aan culturele elementen die niet tekstueel zijn je ontgaan. Taal is cultuur en cultuur is taal. Dit is ook de reden waarom ik zo graag vertaal: het is in beginsel bijna onmogelijk.

 

PAO!

Ik heb dit boek zo vaak herlezen dat het deel is gaan uitmaken van wie ik ben op een veel fundamenteler niveau dan veel van mijn andere ‘lievelingsboeken’. Toch heb ik het moment waarop ik bij de eerste keer lezen besefte dat ik snapte hoe de plot in elkaar stak, tot mijn grote verdriet, nooit kunnen herbeleven. Ik vrees dat dit ook enigszins met leeftijd te maken had. Ik durf niet in te schatten hoe snel een volwassene het door zou hebben.

Een aantal citaten worden beschouwd als kenmerkend voor dit boek, waaronder ‘They’re here! They’re us!’, maar geen ervan doet recht aan context noch uitvoering. Toch blijft mijn persoonlijke favoriet het geweldig brutale en poëtische ‘On veut pas de vos conneries!’ (letterlijk: ‘Wij hoeven jullie kutzooi niet!’).

Het is een van de weinige verhalen, in welke medium dan ook, waar ik ooit echt om heb moeten huilen. Een beetje om het verhaal, maar vooral om de uitwerking, want daar gaat het uiteindelijk om. Je moet niet alleen een goed verhaal met mooie wendingen hebben, je moet het ook goed kunnen vertellen, en de voorspelbare elementen onvoorspelbaar kunnen maken, door ze wel of juist niet te verdraaien, en dat doet Barjavel uitstekend.

Het is moeilijk om de specifiek culturele impact van dit boek uit te leggen. Zeggen dat dit boek als geroepen kwam in de context van de studentenrevolte en proteststakingen van 1968, dekt de lading niet. Barjavel heeft de essentie van de onvrede van zijn tijd en volk op zo’n manier vastgelegd dat het niet te vermijden is. In ‘La Nuit des Temps’ wordt er, uiteraard, ook gestaakt. Bij de demonstraties roepen studenten ‘Pao’, wat nee betekent. Ik ben geboren in 1989, en zoals alle Franse jongeren, heb ik best vaak gestaakt en gedemonstreerd.

De ‘manifs’ (afkorting van ‘manifestations’) zijn meer een initiatieritueel dan de letterlijke vertaling naar proteststakingen in het Nederlands zou doen vermoeden. Het begint met: ‘Ben je het niet eens met je lesrooster, ga dan voor de deur van de schooldirecteur zitten tot hij opendoet.

Maar pas op, je moet wel sterke argumentatie hebben.’ Bij staking hoort debat. Ben je het ergens niet mee eens? Ga dat dan op straat roepen tot er zoveel mensen meelopen dat jullie een probleem zijn geworden. Dán pas wordt er geluisterd. Een rijk democratisch verleden zullen we maar zeggen. Ik heb wel eens Pao geroepen bij een demonstratie en er werd sneller geluisterd toen ik dat deed. Echt waar!

Ik hoorde pas lang na het lezen van Barjavels boek over de ingrijpende culturele en politieke gebeurtenissen van 1968. Ik begreep toen dat ‘ze’ ons waren geweest. ‘They’re here, they’re us’. Misschien toch niet zo’n slecht citaat, met een beetje context.

 

OP DE GRENS

Barjavel vindt zichzelf geen SF-schrijver. Dat is kenmerkend voor veel Franse SF-schrijvers. Speculatief, apocalyptisch, fantastisch, filosofisch, politiek, hedendaags, literair, visionair, populair: allerlei etiketten die Franse schrijvers op hun verhalen plakken maar sciencefiction noemen ze hun werk niet graag. Zelfs hun biografieën spreken er voorzichtig over: je komt eerder de woorden ‘touchant à la science-fiction’ tegen (op de grens van). Misschien omdat ze zich liever als erfgenamen zien van Jules Verne van wie de Wonderreizen internationaal erkend zijn als een van de fundamentele SF-werken terwijl ze in de Franse imaginaire een andere plaats innemen, dichter bij de werkelijkheid.

Barjavel legt het uit als geen ander: ‘’[…] Wij gaan de ruimte verkennen. De ontwikkelingen gaan steeds sneller. Het is Jules Verne die ons in die richting heeft geduwd. Zonder Verne zou de 20ste eeuw op hetzelfde niveau zijn gebleven als de 19e. Vóór mij hebben mijn vader en mijn grootvader Jules Verne gelezen toen ze kind waren. Hij is in alle talen van de wereld vertaald zodat tijdens de tweede helft van de 19e en het eerste deel van de 20ste eeuw alle kinderen die konden lezen de puberteit in gingen met zijn werk. Ik ben ervan overtuigd dat het merendeel van de roepingen om wetenschapper te worden of onderzoek te gaan doen, daar vandaan komt. […] Zeker is dat gedurende honderd jaar de kinderen van onze wereld het oeuvre van Jules Verne hebben opgezogen. Eenmaal volwassen hebben zij de verlangens uit de Wonderreizen meegenomen, verlangens zo sterk dat ze hebben geleid tot de technische mogelijkheden waarmee ze konden worden gerealiseerd. Om uiteindelijk op de maan te landen waar Jules Verne hen de weg naar had gewezen. En men zal verder gaan, steeds Jules Verne indachtig. Nooit is er een schrijver geweest met zo’n invloed op de geschiedenis van de mensheid.’’ (Uit een interview van Barjavel voor een speciale Jules Verne-editie van het Franse literaire magazine Les Nouvelles Littéraires (n° 2463), 24 maart 1966, vertaald in nummer 43 van Verniaan, het tijdschrift van de Nederlandse Jules Vernes Genootschap door Dave Bonte, in 2008, gemoderniseerd voor dit artikel door de HSF redactie).

In Frankrijk wordt SF, zeker in de twintigste eeuw, vooral beschouwd als Amerikaans. Huxley, Silverberg, Asimov, Heinlein, Wells en Bradbury worden vertaald en gelezen maar komen zelden naast Verne en Barjavel in de boekenkasten. Werber en Voltaire liggen weer elders, meestal wel in de buurt van elkaar. Of het tegenwoordig anders is durf ik niet te zeggen. Wel is het zo dat men zich vaker bewust is van het onderscheid, maar toch blijft volhouden dat fantastique fundamenteel anders is, meer literair, en misschien meer Frans, dan SF.

 

JASJES EN STEMPELS

‘L’Evadé de l’an II’ is een boek dat door een nostalgische bril is gekleurd. Ik wil het ook nooit herlezen. Het is een van de vele jeugd SF-boeken van de Belg Philippe Ebly. Ik noem deze specifiek omdat het het eerste boek was waardoor ik als kind besefte dat ik niet de enige was die ‘wat-als’ vragen stelde bij ware gebeurtenissen (en niet alleen fantasy dus). En sterker nog: die besefte dat je erover kon lezen en schrijven. Dit soort boeken zijn in grote aantallen te vinden in elke Franse schoolbibliotheek. Met alle genres dwars door elkaar en zonder onderscheid in collecties als ‘La bibliothèque verte’ en ‘Livres de poche Jeunesse’, waarbij pas in 2007 een aparte SF-collectie werd ingevoerd.

Een van de meest productieve Franse schrijvers op het gebied van jeugd-SF is Danielle Martinigol. Haar vele klassieke SF-verhalen worden vaak omschreven als goed uitgevoerde Heinlein voor tieners. Tegen de tijd dat ik voor het eerst een van haar boeken te pakken kreeg (L’or bleu, best goed te lezen door de grote hoeveelheid heerlijke clichés) had ik al aardig wat Barjavel en Asimov achter de kiezen. Hierdoor voelden haar boeken als het zien van Disneyfilms ná het lezen van de klassiekers waar ze op gebaseerd zijn.

Ik vond haar maatschappelijke onderwerpen interessanter dan het SF-aspect. Dat is misschien wat zij en anderen YA-schrijvers zo goed kunnen: het juiste jasje vinden om elk onderwerp geschikt te maken voor jongeren. Dat is ook de kracht van SF als genre. Je kan het over alles hebben door simpelweg te zeggen: nee, je vergist je, het gaat over een ander volk/ figuur/ tijd/ planeet/ grondstof/ kwestie/ ideologie… oftewel, They’re not here, they’re not us. SF is dus eigenlijk de ultieme (volwassen) versie van YA.

Sciencefiction heeft vaak een uitermate kritische wijze van vertellen en dat moet ook, want dat is een van de voornaamste bestaansrechten van het genre. Volgens Werber moet sciencefiction speculatief zijn met een sociologisch of politiek kritisch jasje. Dus niet een western-avontuur met een SF-jasje, wat hij als uiterst oninteressant en teleurstellend beschouwt. Werber is dan ook een van de Franse auteurs die zich het stempel SF wel toe eigent.

De Franse neiging om SF niet als SF te bestempelen lijkt ook het vervelende neveneffect te hebben dat het Franse SF-genre voor het buitenland veel kleiner lijkt dan het in werkelijkheid is. Zo worden werken van Voltaire geregeld onder fantastique gecategoriseerd, terwijl hij internationaal toch zeker als een groot literair schrijver gezien wordt en absoluut niet als SF-schrijver. Maar als Micromégas geen SF is weet ik het toch ook echt niet meer.

Ik zou nog tientallen pagina’s lang door kunnen gaan over Franse SF. Er is zoveel te zeggen over Franse beeldverhalen en Franstalige SF van buiten Frankrijk, over de eigenheid van Franse SF-films en nog veel meer. Maar ja, ik moet ergens stoppen met mijn ‘korte’ impressie, dus bij deze. Wordt vervolgd.

Eerder verschenen in het proefnummer van HSF (2018/X).

Als de sterren zingen – Tonke Dragt

Dragt.jpg

Als de sterren zingen – Tonke Dragt (JDIV)
Uitgeverij Leopold, Amsterdam (2017)
419 pagina’s; prijs 29,99
Omslag: Nanja Toebak
Omslagillustratie & Illustraties: Tonke Dragt

Je gunt ieder mens een overzichtstentoonstelling. Niet echt aan het begin van zijn of haar leven natuurlijk, want dan is er nog niet zoveel tentoon te stellen. Maar eigenlijk meer pas dan, als het begin ver genoeg weg is en het einde ook.
Onlangs was ik aanwezig op de begrafenis van een neef. We kenden elkaar niet goed en hadden ieder ons eigen leven. Op de begrafenis waren allerlei sprekers, waaronder zelfs een wethouder, die mijn neef veelvuldig de hemel in prezen. Dat kwam dus goed uit, maar hij had er zelf niet heel erg veel meer aan. Daarom was het beter geweest dat dit bij leven en welzijn van mijn neef gedaan zou zijn. Wij, aanwezige familie en anderen, leerden wel onze neef beter kennen, maar ook dat was beter geweest als hij er nog geweest was. Hij had als vrijwilliger veel betekent in het speeltuinwezen van Leiden en zou node gemist gaan worden.
Gewone mensen, zoals u en ik, houden normaal gesproken geen overzichtstentoonstelling. Kunstenaars wel. In die wereld komt het nogal eens voor. Bij schrijvers is het ook al niet te doen gebruikelijk, maar ‘Als de sterren zingen’ kan gerust als overzichtstentoonstelling voor Tonke Dragt gezien worden. Het boek staat werkelijk bol met verhalen en waanzinnig mooie illustraties van de Grand Old Lady van de Jeugdliteratuur en is duidelijk bedoelt voor kinderen van 0 tot 99, waar ik mezelf ook onder reken. Zei ik laatst in de recensie van ‘De Herderskroon’ van Terry Pratchett: Terry Pratchett… wie is er niet groot mee geworden, dan klopte dat natuurlijk niet helemaal. Toen het eerste deel in 1991 verscheen, was ik al 27. Tijdens het genieten van mijn eerste verhaal van Tonke Dragt (vraag me niet welke, maar het zou best eens: ‘Verhalen van de tweelingbroers’ of ‘De brief van de koning’ geweest kunnen zijn), zal ik denkelijk rond de negen of tien jaar oud zijn geweest. Dus als je me vraagt waar ik echt mee opgegroeid ben, dan moet dat welhaast met Tonke Dragt geweest zijn.
Toen ik dus de aankondiging onder ogen kreeg dat ‘Als de sterren zingen’ zou verschijnen, was ik er als de kippen bij om een recensie exemplaar te bestellen. Deze kans liet ik me niet ontgaan. Ik was verrast en dankbaar dat ik het boek toegestuurd kreeg en ik moet eerlijk zeggen dat ik het op een kalme manier tot me genomen heb. Gewoon een verhaal per keer. Als je er doorheen raust is het een vorm van afraffelen om het maar gehad te hebben en dat is zonde.
Het is inderdaad een bloemlezing geworden met verhalen die ik al eerder las, met verhalen die nooit eerder gepubliceerd waren en sommige, althans voor mij dan, onbekende nieuwe (en soms verrassende vervolgen op eerde gelezen verhalen) verhalen in de verschillende categorieën waarin deze overzichtsbundel opgedeeld is. Ze beslaan een periode die het gehele schrijvers- en illustrator leven van Tonke Dragt omspant. Soms worden de verhalen verlucht met stemmige en bij tijd en wijle kleurrijke illustraties van Tonke Dragt en soms vertelt ze ontstaansgeschiedenis van een verhaal op warme gele pagina’s en die zijn minstens even leuk als de verhalen zelf.
Natuurlijk hebben niet alle verhalen een fantastische inslag, maar er is er geen bij die ik liever overgeslagen had. Als je mij vraagt welk verhaal uit deze bundel ik het mooiste vond, dan heb ik daar een harde dobber aan en eigenlijk geen mening over. Maar als ik gedwongen worden om het te zeggen, dan zou ik ‘Het spookmes’ en ‘De robot van de rommelmarkt’ en zijn, losstaande vervolg daarop, (dat ik niet kende) ‘Waar wouden zijn…’ kiezen, want slechts een verhaal uit deze prachtige bundel duiden als de beste… dat is onmogelijk.

Jos Lexmond

Space Sushi – Interview met Roderick Leeuwenhart – HSF (2018/X)

Hij kwam vijf minuten te laat voor onze afspraak met de geweldige introductie “Sorry dat ik iets later ben, maar ik heb een hele goeie reden. Ik was namelijk een potje Civilization aan het spelen en mijn wonder was bijna klaar.” Daar hadden we alle begrip voor. Dat heb je soms. Hij bestelde een warme chocomel met slagroom, wij een latte, en we waren klaar voor pindakaas, sushi en nog wat meer.

Roderick Leeuwenhart is een Nederlandse SF-schrijver en uitgever, bekend van de Pindakaas en Sushi-trilogie, een YA-boekenreeks over Nederlandse animeconventies en de avonturen en moeilijkheden van de zestienjarige Marle die het Japanse festival voor het eerst bezoekt. Roderick heeft het idee dat er de laatste jaren meer belangstelling is voor SF in Nederland. “Op Dutch Comic Con heb ik een aantal lezingen gehouden met Jasper Polane en Sophia Drenth en met veel andere auteurs gesproken, waaronder Johan Klein Haneveld. Ik hoor overal dat mensen met projecten bezig zijn. Onder schrijvers borrelt het algemeen groeiende gevoel dat SF weer op de kaart kan worden gezet en wij denken dat het publiek daar ook op zit te wachten. Voorwaarde is wel dat er eerst meer nieuwe boeken en verhalen van goede kwaliteit worden geschreven.”

Roderick wil zelf ook graag bijdragen aan de opleving van SF in Nederland. “Ik hoop samen met vele anderen voor een kleine renaissance te zorgen. We moeten opnieuw bekijken hoe SF en Fantasy zich als genres kunnen onderscheiden in Nederland.”

Roderick denkt dat het moeilijker is om SF te schrijven dan een goede fantasyverhaal. “Harde SF is het moeilijkste want dat moet wetenschappelijk goed doorwrocht zijn. Bij ‘softe’ SF draait het vaak om ideeën met vooral maatschappelijke thema’s. Goede Fantasy heeft een goed verhaal in een mooi uitgewerkte wereld. Bij SF gaat het vooral om concepten en ideeën en bij Fantasy meer om sfeer en setting. Vandaar dat fantasyboeken vaak lijvige pillen zijn en een goed SF-boek soms al voldoende heeft aan 200 pagina’s om je van je sokken te blazen. Zelf geef ik de voorkeur aan zo’n lekker dun goed boek met een goed idee.”

Via de NCSF-Boekenclub kreeg Roderick een paar jaar geleden een grote stapel tweedehands SF-boeken. “Daarmee kon ik me inlezen voor mijn korte verhaal Sterrenlichaam. Ik kwam een aantal pareltjes tegen, meesterlijke SF-verhalen. Een van mijn favorieten uit die stapel was Wolfsklauw van Kornbluth. Typisch zo’n kort en goed boek waar ik van hou. Tais Teng zag het boek liggen toen hij bij mij op de thee kwam en riep meteen dat dat zo’n goed boek is. Het is een verhaal vol ideeën die je aan het denken zetten. Als ik het niveau van Wolfsklauw ooit haal, zal ik erg blij zijn. Het is wel Golden Age dus het is absoluut niet modern meer, maar dat vind ik juist mooi.”

Harde SF is goed besteed aan Roderick. “Qua lezen ben ik een omnivoor dus heb ik niet echt een voorkeur. Er zijn weinig genres die ik niet lees, als het maar kwaliteit is. Als het gaat om films en series gaat mijn voorkeur uit naar harde SF, denk aan Gravity of Interstellar, en space opera’s natuurlijk. Van Star Trek Discovery vind ik zeker de tweede helft erg vermakelijk. Ik ben nu ook voor het eerst Star Trek The Next Generation aan het kijken, ik ben nu in seizoen vijf en vanaf seizoen drie wordt het echt goed. Religieuze ervaring van bepaalde afleveringen, dat is tv dat je niet meer zou kunnen maken. Bij elke moderne serie draait het altijd om dezelfde kwestie ‘do the ends justify the means’, en het antwoord is bijna altijd ja. Star Trek is een van de zeer weinige series die zegt nee dat mag niet. Dat is toch geweldig.

The Empire Strikes Back was mijn eerste SF-film, mijn wauw-moment, maar ik denk dat ik uiteindelijk door het SF-virus gegrepen werd door Star Trek Voyager. Begin middelbare school had ik een keer griep en lag ik op de bank herhalingen van Star Trek Voyager op tv te kijken. Ik werd erdoor gegrepen, wat al begon met de majestueuze openingsmuziek. Sindsdien wil ik altijd Star Trek kijken als ik ziek ben: dan voel ik me meteen beter. Voor mijn SF-beleving zijn series heel belangrijk geweest. Farscape, Firefly, Babylon 5: voor die tijd diepgaand met een gedegen opgezette verhaallijn. Zeer indrukwekkend.”

Uiteraard blijft Roderick een Japanfan. “Toevallig ben ik net een Japans SF-boek aan het lezen: Sisyphean van Dempow Torishima. Moderne SF. Ik ben gisteren begonnen en bij de eerste paragraaf schoot ik in de lach. Het was zo waanzinnig complex en juist daar geniet ik van. De schrijver daagt me uit met het verhaal: ‘als je het te moeilijk vindt, is dit niet voor jou bestemd’. Het is een bizar verhaal, je weet niet wat je leest.” Uitgever Haikasoru in de VS richt zich op oorspronkelijk Japanse SF. “Daar ben ik ontzettend blij mee. Dankzij hen komen boeken uit als Sisyphean maar ook klassieke Japanse SF met titels als Legend of the Galactic Heroes. Waanzinnige militaire SF zoals alleen Japanners durven te schrijven. In Japan kan veel omdat het groot genoeg is om SF te laten bloeien. Dit in tegenstelling tot het kleine Nederland, waar veel genreschrijvers het moeten hebben van zelfpublicatie.”

Zelfpublicatie kan niet zonder zelfpromotie. “Als ik op een conventie of waar dan ook sta, moet ik een knop omzetten om uit mijn introverte schrijversmodus te komen. Verder is het bij zelfpublicatie belangrijk om adviezen niet te negeren, je doet immers zelf de eindredactie. Ik heb dat een keer gedaan met een advies over een personage in mijn tweede boek, een oud vrouwtje in Japan. Zij spreekt veel oudhollands en ik kreeg als commentaar dat dat niet zo lekker leest. Dat heb ik genegeerd en daar kreeg ik na het drukken spijt van: het advies klopte. Voor de tweede druk heb ik dat taalgebruik helemaal veranderd, behoorlijk ingrijpend om te doen. Ik had het beter meteen kunnen doen.”

Juist ook ter promotie deed Roderick mee aan de Harland Awards verhalenwedstrijd. “Ik wist dat dit een van de beste manieren is om in het SF-wereldje naam te maken. Ik weet nog niet of ik nog een keer mee zal doen.

Dat heeft alleen zin als ik een echt goed verhaal heb maar ik ben eigenlijk geen schrijver van korte verhalen. Sterrenlichaam is een moderne versie van klassieke golden age-achtige SF. Voordat ik de Harland Award won met mijn korte verhaal, wist ik al dat ik het verder móest uitwerken. Ik wil vertellen hoe die wereld in elkaar zit en wat nu eigenlijk de clou is van het Sterrenlichaam. Ik ben nu een jaar bezig met het herschrijven van Sterrenlichaam naar een roman.”

Het uitwerken van een kort verhaal naar een roman vindt Roderick een boeiend proces. Waar gaat Sterrenlichaam eigenlijk over? “Het gaat over een groep mijnwerkers in een ruimtelijk wezen. Ze zitten in de slokdarmen en aderen om daar grondstoffen uit te winnen. De boel dreigt in elkaar te klappen en het verhaal gaat vervolgens in op een groep die wil ontsnappen, wat behoorlijk mis gaat door paranoia en achterdocht. Een buitenstaander, de intellectuele Joan, is gefascineerd door de smerige omgeving vol parasieten. Voor de roman heb ik een aantal hoofdpersonen verder uitgewerkt. Zo is daar Kev, ploegbaas van de mijnwerkers, en een Japanse ambtenaar met nare trekjes die zijn verstand kwijtraakt. Hij vindt het vreselijk om op dat sterrenlichaam te zijn. Waar Joan een fantastische biotoop ziet met wonderbaarlijke dingen, ziet hij een verschrikkelijk Cthulhu-achtig wezen dat hem probeert te verzwelgen.

Elke van de personages heeft zijn eigen hoofdstukken en ik schrijf vanuit een beperkt derdepersoonsperspectief, opvolgend in de tijd en wisselend op spannende momenten. Hartstikke leuk en uitdagend om zo met meerdere hoofdpersonen te jongleren.”

Roderick houdt van planmatig werken. “Ik werk de karakters en de grote lijnen van tevoren uit. Voor elk boek moet je een nieuwe aanpak bedenken. Sterrenlichaam is een metafoor voor seks en zwangerschap want het gaat over regenereren en sterven. Dus het hele verhaal heb ik van tevoren op die manier uitgewerkt.”

Roderick heeft grote plannen voor zijn nieuw roman: “Mijn ultieme doel is om Sterrenlichaam in de VS uit te geven, omdat daar uiteraard een enorme SF-markt is. Maar een ding. Als Sterrenlichaam wordt uitgegeven bij welke uitgever dan ook, moet er wel SF op staan. Daar doe ik geen concessies in.”

We kijken uit naar de terugkeer van Sterrenlichaam, dit keer als roman, en hopen in de toekomst op nog meer SF van Roderick Leeuwenhart!

Dit interview is op 4 april 2018 afgenomen door Alice Jouanno en Marlies Scholte Hoeksema. Foto: ©Uitgeverij Leeuwenhart, 2018.  Redactie door Alice Jouanno en John van Duin. Dit interview is eerder verschenen in het proefnummer van HSF (2018/X).

ALV 28 april 2018

Aanstaande zaterdag om 13.00 vindt de voorjaars ALV van het NCSF plaats in Bilthoven (Boslaan 3, zoals inmiddels gewend). Leden hebben allemaal een convocatiebrief ontvangen. Mocht je echter nog geen lid zijn, kan je dat ook ter plekke worden! Onze penningmeester is immers aanwezig 😉

Wil je als lid meepraten en stemmen over allerlei verenigingszaken? Wees er dan bij! Voor thee, koffie, tompoezen and ander lekkers wordt gezorgd.

Aanwezigen krijgen het spiksplinternieuwe proefnummer van HSF mee naar huis. We gaan het uiteraard ook over HSF hebben tijdens de ALV, dus neem je ideeën mee!

Tot zaterdag!

 

De huisdrukkerij van het NCSF, 1976-1980 – Peter Coene

Het verenigingsblad HollandSF werd in 1966 voor het eerst gedrukt. Het was een behoorlijke onderneming!

NCSF-lid Peter Coene heeft recent een uitgebreid verslag over de eerste productiejaren samengesteld met historisch beeldmateriaal. Dit verslag is hier te lezen (zeer de moeite waard!).

In 2015 kwam er helaas een voorlopige einde aan HollandSF.

Maar dit bericht is een hint voor de ALV 😉 dus wees erbij!

De Herderskroon – Terry en Lynn Pratchett

Herderskroon.jpg

De Herderskroon – Terry en Lynn Pratchett (FA)
Schijfwereld 41 (en slot)
Meulenhoff Boekerij bv, Amsterdam (2018)
318 pagina’s, € 19,99
Oorspr.: The Shepherd’s Crown – Transworld Publishers (2015)
Vertaling: Venugopalan Ittekot (IWACC)
Omslag: Venugopalan Ittekot (IWACC)/Paul Kidby/Brad Wakefield
Illustraties: Paul Kidby

Terry Pratchett en de Schijfwereld. De twee zijn welhaast synoniem. Als je Schijfwereld zeg je Pratchett en zeg je Pratchett dan kan je haast niets anders zeggen dan Schijfwereld. Weliswaar heeft Terry Pratchett ook nog andere dingen geschreven waaronder de vijf delen in ‘The Long Earth’ reeks, samen met Stephen Baxter en het indrukwekkende ‘Nation’ (vetaald als:’Volk’), maar hij heeft zijn leven vooral gevuld met de Schijfwereld en zijn (of haar?) aanpalende projecten.
De Schijfwereld… wie is er niet groot mee geworden? Nou… ik wel, in ieder geval. Toen hier in 1991 het eerste deel, ‘De Kleur van Toverij’ verscheen, was ik flabbergasted, om het maar eens in Schijfwereldse termen uit te drukken. En, niet onbelangrijk, ik raakte ook meteen verknocht aan de vreemde wereld bewoond door zijn nog vreemdere kostgangers. De Schijfwereld, een platte schijf gedragen door vier olifanten die op de rug van een gigantische schildpad A’Tuin staan, welke door de lege ruimte onderweg is naar, volgens de overleveringen, een vrouwtjesschildpad. Je moet er niet aan denken wat er gebeurd als ze elkaar zouden ontmoeten! Minimaal een aantal zware schijfbevingen, denk ik zo. De wereld is niet alleen bewoond door gewone mensen, maar ook door heksen, tovenaars, trollen, dwergen, helden en vele andere mythologische wezens. De Schijfwereld heeft vaste terugkerende hoofdrolspelers, die te pas en te onpas opduiken. Mijn persoonlijke favorieten zijn absoluut Opoe Wedersmeer en ook Douwe Flinx, van de stadswacht van Ankh-Meurbork, staat hoog op mijn favorieten lijstje. Maar eigenlijk zijn ze me allemaal dierbaar.
U merkt wel dat ik de Nederlandse namen van mijn helden gebruik. Alhoewel ik nooit iets van de Schijfwereld reeks in het Engels heb gelezen, vond ik dat Venugopalan Ittekot, het pseudoniem van Ruurd Groot, (die samen met Eduard Visser de SF reeks bij Meulenhoff had opgezet, de zogenaamde Witte Meulenhoffjes, en samen voor het deeltje ‘Duvels en Oranje moeren’ (als Grovis, M=SF 13) verantwoordelijk waren) een briljante vertaler was van de flauwe kul van Pratchett en de gebruikte namen waren mijns inziens perfect. Ik begrijp dat er nog wel eens discussie over de vertaling was. Met name, dat er door de vertaling grappen verdwenen, maar ik geloof ook dat het zomaar nieuwe grappen opleverde. Maar mijns inziens waren de vertalingen briljant en dat was zelfs bij Pratchett bekend. Hoe het ook zei… ik heb van dat gedoe nooit iets van gemerkt en elke keer weer opnieuw van elk deel genoten.
Nu dus het 41ste en het laatste deel van de Schijfwereld. Met enige weemoed (zeg maar gerust: met grote weemoed) heb ik dit laatste deel tot me genomen. Hoe groot de invloed van Lyn Pratchett (Terry leed al sinds 2007 aan de ziekte van Alzheimer) op het geheel is… ik weet het niet, maar het las toch echt wel als een echte Terry Pratchett, die naar ik zo maar voor me zie, de dood en begrafenis van Opoe Wedersmeer beschreef zoals hij de zijne (in 2015) als wishfull thinking zou beschrijven. Zo zou hij zelf willen sterven en begraven worden. Ik voelde die ondertoon door heel het boek. En ook de hoop die eruit sprak dat het allemaal wel goed zou komen met degene die zijn erfgoed zou gaan beheren: Tiffanie Verweerd. Zou dat misschien Lyn Pratchett kunnen zijn? Ik vertel verder weinig over het verhaal van ‘De Herderskroon’, alleen dat Tiffanie Verweerd alle moeite moet doen om, samen met de Fiegels, boosaardige elfen die de Schijfwereld dreigen binnen te vallen, tegen te houden. Ik laat jullie zelf dit laatste boek van de Schijfwereld in alle rust genieten. Dat heb ik in ieder geval wel gedaan.
In de hoop dat er ooit iemand komt die de Schijfwereld en zijn bewoners weer tot leven kan wekken, vrees ik met grote vreze dat dit nooit zal gebeuren. Misschien maar goed ook, want anders blijf je het altijd met de grote meester zelf vergelijken. Maar ik zal het ‘Kreemes’ missen. Zoveel is zeker.

Jos Lexmond

Dag van het Fantastische Boek 2018

Op 14 april 2018 organiseerde Stichting Fantastisch Genre de jaarlijkse Dag van het Fantastische Boek, dit keer in de Tolhuistuin van Amsterdam.

De persoonlijkheidsprijs Annemarie van Ewyck werd dit jaar voor het eerst uitgereikt. De prijs ging naar Kees van Toorn voor zijn vele jaren inzet als Secret Master of Fandom. Kees droeg een uiterst toepasselijk Worldcon 75 t-shirt bij de ceremonie.

De Harland Awards verhalenwedstrijd is gewonnen door Rob Geukens met ‘Play it (again)’, gevolgd door Wouter van Gorp met ‘Jongen van Elf’ en Joost Uitdehaag met ‘Onzekere Anna’. Bart de Wolf mocht de Debuutprijs in ontvangst nemen en Frank Lubbers de Feniksprijs.  De gehele lijst is inmiddels hier te vinden.

Overdag was er veel te beleven. Bekende auteurs als Naomi Novik, Auke Hulst en Thomas Olde Heuvelt droegen bij aan een vol programma, van workshops en lezingen tot talkshows en voorstellingen.

Het NCSF was een van de sponsoren van de Dag. De boekenclub was uiteraard aanwezig, met nieuw promotiemateriaal. Ook mochten we bij de fantafel vier nieuwe leden verwelkomen!

Meer foto’s van de Dag zijn te vinden op de Facebook pagina’s van SFG, DFB, NCSF en verschillende gasten en aanwezigen. Ook hebben veel auteurs materiaal van de Dag op hun website beschikbaar gesteld. Een overzicht van actieve Nederlandstalige SFFH auteurs en hun websites is tevens sinds kort op onze website te vinden.

Foto’s: Alice Jouanno, Frank Norbert Rieter, Bart Treuren.

De aarde blijft altijd bestaan – George R. Stewart

Stewart

De aarde blijft altijd bestaan – George R. Stewart (SF)
L.J. Veen Klassiek, Amsterdam/Antwerpen (2018)
464 pagina’s; prijs 29,99
Oorspr: The Earth Abides (Random House – 1949)
Omslag: Marinka Reuten
Omslagbeeld: iStock

Als ik niet bij de Utrechtse sciencefiction leesclub, To the Dom & Beyond, had gezeten had ik dit boek nooit gelezen. Als ik het boek niet persé uit had willen hebben voor de bijeenkomst was ik waarschijnlijk tijdens het begin al afgehaakt. Wat zou dat zonde geweest zijn.

“De aarde blijft altijd bestaan” is een post-apocalyptische roman uit 1949. Het verhaal draait om Isherwood “Ish” Williams, een jonge man die een van de weinige overlevenden is van een wereldwijde pandemie. Hij reist door de lege Verenigde Staten en probeert een nieuwe samenleving op te bouwen. Het verhaal van Ish wordt onderbroken door intermezzo’s die het verhaal vertellen van de wereld, hoe deze verandert in de kleine details en de grote lijnen, in de eerste jaren na de ramp en de eeuwen daarna.

“De aarde blijft altijd bestaan” is een kalm boek. Het verhaal kabbelt rustig richting het einde. Stewart kiest er bewust voor om de echt dramatische scenes “off-screen” te laten afspelen. Ish maakt bijvoorbeeld de dood van het overgrote deel van de mensheid niet direct mee. Hij komt na een periode waarin hij op zichzelf was in de wildernis terug in de bewoonde wereld om te ontdekken dat deze grotendeels verlaten is. In de eerste dagen van de pandemie werden de lijken netjes begraven, eerst in individuele graven, daarna in massagraven en de overlevenden trokken steeds meer weg naar gebieden rond ziekenhuizen. Ish komt nooit in die in knekelhuizen veranderde ziekenhuizen. Die trend wordt het hele boek voortgezet. Dit is geen boek van actie en geweld. Het gaat niet over het conflict tussen de overlevenden of het conflict tussen mens en natuur. Het gaat om Ish die probeert nog iets van de beschaving te redden. Het gaat ook om een leven van een man, van zijn studententijd tot zijn oude dag in uitzonderlijke omstandigheden. In eerste instantie had ik moeite om mee te leven met Ish. Hij heeft een nogal afstandelijke kijk op wereld en is zo nu en dan arrogant en denigrerend in zijn houding tegenover anderen. Ik ben blij dat ik me daar over heen gezet heb. Tegen het einde leefde ik zo met Ish mee dat ik een traantje moest wegvegen bij het lezen van de laatste scene.

Je ziet veel van de zaden voor latere post-apocalyptische verhalen geplant worden in dit boek. Maar waar het mij nog het meest aan doet denken, apart genoeg, is de magisch-realistische film The Red Turtle van regisseur Michael Dudok de Wit. Beide hebben die kalmte waarmee het verhaal vertelt wordt. Beide gaan over het leven van een man in uitzonderlijke en in het begin eenzame omstandigheden. Beide gaan over een onwaarschijnlijke liefde, het vader worden, het ouder worden, het afscheid nemen.

Het is en blijft een boek uit 1949 en daar wordt je zo nu en dan aan herinnert door de manier waarop Ish tegen zijn Afro-Amerikaanse en vrouwelijke medemens aankijkt. Maar dit mag je er niet van weerhouden om het boek te lezen. Dit boek, de enige sciencefictionroman die Stewart geschreven heeft, heeft grote indruk op mij gemaakt. Als ik ooit in San Francisco ben en de Golden Gate Bridge zie zal ik dan denken aan Ish, zijn hamer en die ene verlaten auto? Ik hoop van wel.

Eddie A. van Dijk

Eerste statuten goedgekeurd! (1971)

Op 12 april 1969, bij een van de eerste Algemene ledenvergaderingen van de vereniging, zijn de volgende statuten opgesteld:

Een uitgebreidere en leesbaardere versie werd in 1971 koninklijk goed gekeurd:

Sinds die tijd zijn de statuten uiteraard een aantal keer aangepast. Er is bij de vorige ALV een commissie samengesteld om ze nogmaals te vernieuwen.

Voor de komende ALV (28 april 2018) is het niet gelukt, maar de nieuwste statuten worden in het najaar (29 September 2018 ALV) gepresenteerd.